De waarde van werk.

door Trees Schopman
september 2019

Een blogpost nav Tegenlicht meet Up Deventer over ‘mijn bullshitbaan’, met aansluitend Filosofiecafé Deventer over ‘waarde van werk’. (29/8 en 5/9-2019)

Heeft werk een waarde? Welke waarde dan? Economisch? Ongetwijfeld! Maar ook emotioneel, sociaal en psychologisch? We zijn gewend dat waarde van werk maatschappelijk bepaald wordt en uitgedrukt in geld. Maar is er ook een individuele waardebepaling van werk? Wanneer is werk waardeloos en spreken we van een bullshitbaan? Wanneer is werk eigenlijk ‘werk’? Laat ik het onderzoek eerst zo breed mogelijk trekken, om vervolgens het begrip ‘werk’ te versmallen.

  1. Werk is alles waar we energie insteken en wat ons tijd kost, met als doel ons in het leven te handhaven en alles eruit te halen wat erin zit. Dus als een baby geboren wordt moet het kindje direct hard aan het werk om te leren ademen, voedsel te verteren, ziektes te overwinnen, te leren communiceren met ouders en anderen, te leren lopen, fietsen, enz. De Duitse filosoof Martin Heidegger (1889-1976) beschrijft het als ‘in de wereld geworpen zijn’, iets waar je als wezen niet bewust om gevraagd hebt, maar wat je – als resultaat van een daad van je ouders – overkomt en vervolgens mee te dealen hebt. Dit dealen noemt Heidegger ‘zorg’. Het is de individuele activiteit en de gevoelde noodzaak van energie steken in je handhaven in het leven met alles wat daarbij hoort. Het is een energie-investering die tijd inneemt. En daardoor ontstaat je tijdsbeleving, het verglijden van tijd en het ouder worden. Eveneens het besef van de naderende eindigheid die de noodzaak groter maakt om de resterende tijd goed te besteden. Dus goed werk te verrichten en je tijd en energie in die zin goed te gebruiken. En wanneer is het goed? Als het bijdraagt aan het ‘zijn’ zelf.
  2. Dus ‘zijn’ is ‘werk’, maar laten we deze definitie bij de eerste versmalling van het begrip ‘werk’ eens loslaten. Werk krijgt dan meer de betekenis van iets dat door anderen als ‘werk’ herkend wordt. Werk wordt gezien als iets waarmee je bijdraagt aan de gemeenschap. Je bouwt samen een huis, je verbouwt groente om later samen van te kunnen eten, je hoedt de dieren, je maakt iets waar een andere weer mee vooruit kan. Binnen deze waardering geldt het niet als werk als je puur iets voor jezelf doet, ter ontspanning bijvoorbeeld. Er ontstaat het begrip ‘vrije tijd’, als tegenhanger van werk. Ook als je rust, werk je niet. Werk heeft nu een concreet resultaat omdat er zichtbaar werk is verzet. Het gras is gemaaid of het hooi is ingehaald. Het eten is gekookt en op tafel gezet. Het hoefijzer is gesmeed en op de hoef van het paard gezet. Jouw werkbijdrage verplicht de ander tot een wederdienst. Van een bedankje tot een ruilobject, afhankelijk van wat jij nodig hebt en de ander te bieden heeft.
  3. Maar met deze eerste versmalling, dat werk pas werk is als het waarde heeft voor een ander of de gemeenschap, zijn we er nog niet. Want huishoudelijk werk of zorg voor de kinderen werd en wordt nog steeds niet altijd als werk erkend. Er staat namelijk niet altijd een financiële beloning tegenover. Werk is pas werk als er een betaling tegenover staat. Hoe hoger de betaling, des te belangrijker en waardevoller het werk dat verricht wordt. Logisch toch? Tenminste…? En zo ontstaat het verschil tussen de bankdirecteur en de vuilnisophaler, de zorgmanager en de verzorgende. Maar vertegenwoordigt de hoogte van het salaris hier nog de waarde van het werk? Draagt iemand die je kind opvangt of die jou verpleegt niet meer bij dan iemand die je als reclameman probeert te verleiden tot een nieuwe aankoop?  Ook ontstaat nu het begrip ‘vrijwilligerswerk’ als tegenhanger van betaald werk. Dit begrip maakt in ieder geval duidelijk dat iets toch werk kan zijn, ook als er geen betaling tegenover staat.

Samenvattend? Werk is het ‘zijn’ zelf, een directe persoonlijke verbinding met het leven. Een zorg, in eerste instantie voor jezelf en in tweede instantie voor je naasten en de gemeenschap als je directe leefomgeving. Ook het milieu hoort daarbij. Heidegger benoemt dit als ‘het zijn met mede-zijnden in een gemeenschappelijke wereld’. Gedurende onze opvoeding of socialisatie treedt er een versmalling van het begrip ‘werk’ op waarbij werk in eerste instantie iets is dat je doet voor een ander, en vervolgens vooral gezien wordt als datgene waarmee geld wordt verdiend. Hoe meer geld je verdient, des te meer status en zeggenschap. Waarmee dat geld verdiend wordt, en hoe waardevol en nuttig dit werk voor de wereld (gemeenschap en het milieu) is, lijkt ‘nicht mehr im frage’. Want de hoogte van geldelijke beloning is in zichzelf toch al een bewijs van nuttigheid en bewezen waarde? De vrije marktwerking van het kapitalistische systeem garandeert dit toch? In tweede instantie worden we wakker geschud doordat we meer en meer beseffen dat geldelijk gewin losgezongen lijkt te zijn van de inhoudelijke waarde van werk. We brengen schade toe aan het milieu, we buiten te vaak en te gemakkelijk andere mensen uit. Als er geen behoefte of schaarste is, dan creëren we deze wel in het belang van geldelijk gewin. Benjamin Barber stelt in zijn boek ‘de infantiele consument’(Barber, 2008) dat het doorgeslagen kapitalisme van de vrije markt kinderen bederft, volwassenen klein houdt en burgers vertrapt. In hoeverre draagt deze vorm van werk nog bij aan het ‘zijn’ zelf? Of doet het er eerder afbreuk aan?

Kortom, werk heeft een morele waarde, terwijl geld en goed op zich niet moreel kan zijn. Persoonlijk en individueel hoort werk gezondheid en welzijn op te leveren, en bij afnemende gezondheid levert goed werk wijsheid op. Werk in dienst van een ander levert erkentelijkheid, een wederdienst of een ruilobject op. Werk heeft dus een morele waarde die voelbaar en kenbaar wordt in onze relatie met onszelf en de omringende wereld. Krijgt werk een status- en machtswaarde waardoor we verleid worden de ander en de omgeving slechts als middel te zien, dan snijden we onszelf op de korte of lange termijn in de vingers door gebrek aan wederkerigheid, voortdurend conflictueuze relaties en afbraak van ons leefmilieu. Filosoof Kant drukte ons al op het hart de andere mens slechts als doel en nooit als middel te zien. Hoe moeten we dit tij keren in een kapitalistische vrije markt waar alles mag wat niet bij wet verboden is, ook al is het immoreel?

Is invoeren van basisinkomen de oplossing? Wat mij betreft wel! Daarin ben ik het eens met fervent voorstander Rutger Bregman (Gratis geld voor iedereen – Bregman 2016). Door inkomensgarantie van voldoende niveau hoeven we minder gauw te accepteren om van doel tot middel gereduceerd te worden. Momenteel geldt: wie kan, moet werken! Het doet er niet toe of we dat werk als zinvol ervaren, het gaat erom dat wij niet teren op de belastingcenten van anderen. Ervaren we het werk als niet-constructief en waardeloos, dan is dat nog geen acceptabele reden om het werk te weigeren. Pas als we er daadwerkelijk ziek van zijn, mogen we (tijdelijk) stoppen. Alternatief is een andere baan zoeken waarmee we onszelf opnieuw kunnen bedruipen. Maar hoeveel keuze hebben we hierin? Na pensionering of arbeidsongeschikt worden, zijn we ‘vrij’. We zijn te oud, te ongeschikt en daarom niet meer nodig voor de gemeenschap, is de boodschap. Als werk ten diepste met ‘zijn’ te maken heeft, is dit een moment waarop we mogelijk ervaren dat we mogen ophouden te bestaan. Het is dan opnieuw hard werken om onze bestaansgrond, en de link naar het leven zelf terug te vinden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *